Sla over naar hoofdinhoud

Vijf complexe situaties waar…

Sommige situaties in een facilitatiepraktijk keren steeds terug: een bestuur dat een gevoelig dossier bespreekt, een team dat een strategie moet uitzetten zonder dat de toekomst vaststaat, een organisatie die aan het einde van het jaar samen wil terugblikken. Wat ze gemeen hebben: er is geen vooraf berekenbaar optimum. Vijf van die situaties werk ik hieronder uit, telkens met een schets, de complexiteitssignalen die erbij horen, een voorbeeldreeks Liberating Structures en wat er typisch verandert. Meer over dat onderscheid tussen complex en gecompliceerd staat in complexiteit herkennen en hanteren.

Elke reeks is een voorbeeld, geen recept. Voor dezelfde situatie bestaan andere combinaties die even goed werken; welke je kiest, hangt af van de groep, de tijd en wat er op dat moment in de groep gebeurt. De reeksen tonen hoe werkvormen op elkaar kunnen aansluiten, zodat je er zelf mee kan schuiven.

De complexiteitsredenering volgt het essay op de complexiteitspagina van deze site: in een levend systeem zit de waarde tussen de mensen, niet in de delen afzonderlijk. Complex wil zeggen dat niemand het hele plaatje overziet, dat de uitkomst ontstaat uit hoe deelnemers op elkaar reageren, en dat je vooraf geen optimale aanpak kan berekenen — in tegenstelling tot iets ingewikkelds, waar een expert de puzzel wél kan oplossen.

1. Een bestuursvergadering begeleiden

Situatie: Een raad van bestuur of directiecomité moet een gevoelig strategisch dossier bespreken — een fusie, een grote investering, een koerswijziging. De leden kennen elkaar, maar elk kent maar een deel van de informatie en heeft een ander belang. De voorzitter wil geen formele goedkeuring van een kant-en-klaar voorstel, maar een echt gesprek.

Complexiteitssignalen: Niemand rond de tafel overziet het hele dossier: kennis over markt, financiën, personeel en risico zit verspreid over de leden. De uitkomst hangt af van hoe de leden op elkaar reageren, niet van een vooraf berekenbaar optimum. Wie het eerst spreekt, kleurt vaak het hele gesprek — machtsverhoudingen sturen de uitkomst mee, los van de inhoud. Of een beslissing goed was, blijkt pas achteraf, in hoe de organisatie erop reageert.

Een mogelijke reeks:

  1. Impromptu Netwerken — leden wisselen in korte tweetallen uit wat hen op dit dossier bezighoudt, voor de formele agenda begint.
  2. 1-2-4-Iedereen — de kernvraag van het dossier gaat eerst individueel, dan in paren en kwartetten rond, zodat ook wie zelden als eerste spreekt mee het gesprek vormt.
  3. 9 Keer Waarom — leden leggen bloot waarom het dossier voor hen persoonlijk telt, en waar hun beweegreden verschilt van die van hun collega's.
  4. Wicked Vragen — de spanning die onder het dossier zit (bijvoorbeeld investeren én voorzichtig blijven) krijgt een expliciete vraagvorm, in plaats van onuitgesproken te blijven.
  5. 15% Oplossingen — de vergadering sluit af met wat elk lid nu al binnen zijn eigen mandaat kan doen, in plaats van te wachten op een volgend agendapunt.

Wat typisch verandert: Meer leden spreken voor de eerste standpunten vastliggen, dan wanneer de voorzitter meteen het woord geeft. Verschillen in belang en motivatie komen op tafel voor de stemming, niet erna in de wandelgangen. Het besluit steunt op wat er rond de tafel verzameld is, niet enkel op wat één persoon al had voorbereid.

2. Een productvisie- en strategiesessie

Situatie: Een productteam — product, engineering, sales, soms klanten erbij — moet een visie en strategie voor de komende periode uitwerken. Er is geen pasklaar antwoord: de markt beweegt, technologie verandert, en niemand rond de tafel weet zeker wat over twee jaar nog relevant is.

Complexiteitssignalen: De toekomst van het product ligt niet vast, ze ontstaat uit hoe klanten, concurrenten en het team op elkaar reageren. Vooraf helemaal uittekenen werkt niet: een plan dat vandaag klopt, kan morgen achterhaald zijn. De kennis over wat werkt zit verspreid — sales hoort andere signalen dan engineering, en klanten weten dingen die niemand intern weet. Een aanpak die te vroeg vastlegt wat "de" strategie is, sluit net de informatie uit die de strategie had moeten bijsturen.

Een mogelijke reeks:

  1. Waarderende Interviews — deelnemers vertellen elkaar over een moment waarop het product écht werkte voor een klant, zodat de visie vertrekt van iets dat al gebeurd is.
  2. Kritieke Onzekerheden — de groep brengt de grootste onzekerheden in kaart en bouwt strategie voor meerdere mogelijke toekomsten tegelijk, in plaats van voor één voorspelling.
  3. Ecocyclus Planning — het huidige portfolio aan features en initiatieven komt op tafel: wat is nieuw, wat draait op routine, wat moet stoppen om ruimte te maken.
  4. Min Specs — de groep schrapt tot een handvol niet-onderhandelbare grenzen voor de strategie, en laat de rest bewust open.
  5. 15% Oplossingen — elk team vertrekt met een eerste stap die het deze week al kan zetten, los van het volgende kwartaalplan.

Wie de hele sessie in één vaste vorm wil gieten, kan ook Strategy Knotworking gebruiken. Die werkvorm bundelt zelf een reeks Liberating Structures rond zes vragen, van de diepste bestaansreden tot de eerstvolgende stap, en betrekt iedereen die de strategie straks moet uitvoeren bij het maken ervan.

Wat typisch verandert: De visie steunt op concrete voorbeelden in plaats van op abstracte ambitie. Het team houdt rekening met meerdere scenario's in plaats van met één lijn die bij de eerste verrassing sneuvelt. De strategie legt vast wat niet mag verschuiven, en laat de rest aanpasbaar.

3. Een overkoepelende dagretrospectieve

Situatie: Aan het eind van een project of werkjaar komt de hele organisatie — meerdere teams, verschillende functies — een dag samen om terug te blikken. Twee risico's liggen op de loer. De dag wordt een klaagsessie: frustraties komen op tafel, maar niemand vertrekt met iets wat hij zelf kan veranderen. Of hij valt in de andere typische valkuilen van een retrospectieve: een reeks presentaties met de officiële versie van het jaar, de luidste stemmen die het verhaal bepalen, schuld zoeken bij andere teams, en actiepunten die niemand opvolgt.

Complexiteitssignalen: Wat er echt gebeurd is, zit niet in één rapport — het zit verspreid over tientallen individuele ervaringen die elkaar soms tegenspreken. Patronen worden pas zichtbaar als die ervaringen naast elkaar liggen; geen enkel team ziet ze alleen. Een grote, gemengde groep kent bovendien haar eigen dynamiek: wie het luidst praat, bepaalt al snel welke versie van het jaar "telt". Klagen voelt veilig en herkenbaar, en trekt de groep daarom makkelijk mee; de facilitatie moet de groep telkens terugbrengen naar wat ze zelf in de hand heeft.

Een mogelijke reeks:

  1. 1-2-4-Iedereen — de openingsvraag ("wat werkte er dit jaar, en wat hield ons tegen?") gaat eerst individueel rond, zodat de eerste antwoorden niet van de luidste stemmen komen en de klachten niet het hele beeld vullen.
  2. Shift & Share — deelnemers trekken in kleine groepjes langs stations van andere teams en horen verhalen van buiten hun eigen bubbel.
  3. 25/10 Crowdsourcing — de hele zaal schrijft en beoordeelt inzichten in vijf rondes, zodat de sterkste inzichten bovendrijven zonder lang plenair debat.
  4. Wat? Dus Wat? Wat Nu? (W³) — de vaste volgorde feiten, betekenis, actie houdt de groep weg van klagen: elke frustratie moet eerst een feit worden, dan een betekenis, en pas dan een volgende stap.
  5. 15% Oplossingen — de dag sluit met wat elke deelnemer morgen zelf kan doen, zonder toestemming of extra middelen, zodat er geen actielijst achterblijft die niemand opvolgt.

Wat typisch verandert: Patronen die maar één team kende, komen boven bij de andere teams. De conclusies van de dag steunen op wat er in de zaal verzameld is, niet op de eerste indruk waarmee de dag opende. Frustraties worden benoemd, maar ze eindigen in stappen die de deelnemers zelf zetten. Meer mensen herkennen het beeld dat aan het eind op tafel ligt, omdat ze er zelf aan bijdroegen.

4. Een community of practice opstarten en laten draaien

Situatie: Een groep vakgenoten binnen of tussen organisaties wil een community of practice opstarten — rond een thema, een discipline, een gedeelde uitdaging. Niemand heeft formeel gezag over de anderen; iedereen doet vrijwillig mee. Al snel dragen steeds dezelfde enkele mensen de bijeenkomsten: zij brengen de onderwerpen in, zij praten, de rest luistert mee.

Complexiteitssignalen: Een community of practice heeft geen hiërarchie die vastlegt wie welk gedrag moet stellen — ze houdt zichzelf alleen recht als leden er zelf iets in herkennen. Wat de groep nodig heeft, wordt pas duidelijk terwijl ze samenwerkt, niet vooraf op papier. Een opzet die van bovenaf wordt opgelegd, mist vaak net wat de leden zelf hadden ingebracht als ze mee hadden mogen bouwen.

Een mogelijke reeks:

  1. Van Doelstelling tot Praktijk — de leden bouwen samen doel, principes, deelnemersgroep, structuur en praktijken, in plaats van die opgelegd te krijgen.
  2. Waarderende Interviews — leden interviewen elkaar over een sterke professionele ervaring, zodat expertise en onderlinge banden meteen zichtbaar worden.
  3. Sociale Netwerken Weven — de groep brengt in kaart wie al met wie samenwerkt, wie ontbreekt, en hoe nieuwe leden aansluiting vinden.
  4. De Wijze Menigte — een lid brengt een echt vraagstuk in, de anderen consulteren om beurt — een vast terugkerend format voor elke volgende bijeenkomst, met telkens een ander lid als vraagsteller, zodat niet altijd dezelfde kern het woord heeft.

Wat typisch verandert: De opzet van de community steunt op wat de leden zelf hebben ingebracht, niet op een sjabloon van buitenaf. Verbindingen tussen leden die elkaar nog niet kenden, worden zichtbaar en bruikbaar. De groep krijgt een terugkerend format waarmee ze zichzelf kan blijven organiseren, ook zonder dat er telkens een externe begeleider bij moet.

5. Nieuw leven blazen in een vastgelopen community of practice

Situatie: Een bestaande community of practice bestaat nog op papier, maar de opkomst zakt, de agenda herhaalt zichzelf, en steeds meer leden haken stilzwijgend af. Wat overblijft, is een kleine kern die alles draagt en de rest die toekijkt. Er is geen duidelijke aanleiding — de community is gewoon uitgedoofd.

Complexiteitssignalen: Waarom een community stokt, ligt zelden in één oorzaak die je van bovenaf kan vaststellen — het zit verspreid over individuele redenen die niemand hardop zegt. Een nieuwe kalender of een oproep tot "meer energie" lost niets op: de informatie over wat er precies niet meer werkt, zit bij de leden die zijn afgehaakt, niet bij wie er nog zit. Een relance die dezelfde opzet herhaalt, loopt vaak opnieuw vast om dezelfde onuitgesproken reden.

Een mogelijke reeks:

  1. Creatieve Destructie (TRIZ) — de groep benoemt eerst eerlijk wat de deelname eigenlijk tegenhoudt, voor er iets nieuws bij komt.
  2. Gehoord, Gezien, Gerespecteerd — leden die afhaakten kunnen zeggen wat niet werkte, zonder dat het meteen opgelost moet worden.
  3. Van Doelstelling tot Praktijk — wie overblijft, herbouwt doel, principes en praktijken samen, want de oude opzet paste bij een andere groep dan de huidige.
  4. 15% Oplossingen — de doorstart begint met één kleine stap die leden zelf in de hand hebben, in plaats van een grote herlancering die weer stilvalt.

Wat typisch verandert: Redenen om af te haken die nooit hardop gezegd werden, komen alsnog op tafel. De nieuwe opzet is toegesneden op wie er nu nog is, niet op wie er ooit was. De doorstart begint klein, met minder risico om weer vast te lopen.

Herken je een van deze situaties in je eigen praktijk, en welke reeks zou jij zelf kiezen?