Vijf blinde vlekken in facilitatie: wat ik vroeger deed — en nu bewust anders doe
Vertaald en gepubliceerd met toestemming van de auteur.
Na jaren workshops begeleiden is me iets opgevallen. Een aantal dingen die ik vroeger zag als tekenen van goed faciliteren, zijn precies de dingen die ik nu probeer te vermijden.
Niet omdat ze noodzakelijk fout waren. Mijn blik is verschoven. Ik kijk minder naar de begeleider, de werkvorm en het perfecte ontwerp, en meer naar wat de groep eigenlijk nodig heeft.
Dit zijn vijf blinde vlekken die ik in mijn eigen praktijk ontdekte: wat ik vroeger deed, en wat ik nu bewust anders doe.
1. Van zwaar naar licht faciliteren
Ik faciliteerde vroeger nogal zwaar. Uitgebreide instructies, zorgvuldig uitgedachte reeksen, veel interventies, en het sterke gevoel dat ik de groep actief door het proces moest loodsen.
Ondertussen faciliteer ik veel lichter. Ik ontwerp nog altijd zorgvuldig, maar zodra de workshop begint, probeer ik zoveel mogelijk weg te stappen. Minder uitleg, minder sturen, minder ik. Het werk hoort bij de groep te liggen.
2. Van slimme LS-strings naar wat de groep nodig heeft
Ik was vroeger best trots op uitgebreide strings van Liberating Structures. Verrassende combinaties vinden en zoveel mogelijk structuren in één workshop passen: dat hoorde bij de lol. Die puzzel vind ik nog altijd leuk, maar hij is veel minder belangrijk geworden.
Het vertrekpunt is nu veel eenvoudiger: wat heeft deze groep nodig? Soms levert dat een interessante string op. Soms betekent het dat we een hele dag met twee structuren werken. En soms is de beste keuze helemaal geen Liberating Structure.
Over die volgorde zelf, en waarom ze vaak meer uitmaakt dan welke structuren je kiest, staat elders op deze site een apart stuk: strings ontwerpen.
3. Van het perspectief van de begeleider naar dat van de deelnemer
Jarenlang keek ik naar workshops door de ogen van een begeleider. Klopt het ontwerp? Zijn de instructies duidelijk? Zit de timing goed?
De laatste tijd neem ik bewust deel aan workshops van anderen. Dat herinnert me eraan hoe anders een workshop aanvoelt vanaf de andere kant. Als deelnemer merk je wat je als begeleider makkelijk over het hoofd ziet: te veel instructies, onnodig wisselen tussen activiteiten, te weinig tijd om na te denken, of gewoon de vermoeidheid van een hele dag “gefaciliteerd” worden. Dat deelnemersperspectief probeer ik nu veel explicieter mee te nemen in mijn eigen ontwerpen.
4. Van te veel willen bereiken naar ruimte laten
Ik propte workshops vol met activiteiten. Was er tijd over, dan vond ik altijd wel nog een structuur, een extra vraag of een reflectieronde om erin te schuiven. Een vol programma voelde op de een of andere manier als een goed programma.
Nu laat ik bewust meer ruimte. Ruimte om na te denken, om een gesprek verder te zetten dat blijkt te tellen, of gewoon om wat langer pauze te nemen. Minder bereiken op papier levert soms veel meer op in de praktijk.
5. Van constant actief naar verschillende manieren van meedoen
Vroeger dacht ik dat een goede workshop betekende dat iedereen de hele tijd actief bezig was. Praten, bewegen, schrijven, van groep wisselen, iets doen.
Maar constante activiteit put ook uit. Mensen hebben verschillende dingen nodig om goed mee te doen. Soms is dat praten. Soms luisteren, observeren, in stilte nadenken, of gewoon een moment waarop niets van je verwacht wordt. Ik ben me er veel bewuster van geworden dat die variatie in het ontwerp zelf hoort.
Dit zijn vijf verschuivingen die ik in mijn eigen praktijk opmerkte. Er zijn er ongetwijfeld meer te ontdekken.
En bij jou? Wat is iets wat je vroeger als begeleider deed, en nu bewust anders doet?